Naar hoofdinhoud
Transitievergoeding bij tijdelijke contracten

Ook bij een tijdelijk contract bestaat recht op een transitievergoeding als de werkgever het contract niet voortzet. Dat geldt vanaf de eerste werkdag, ongeacht hoe kort het contract was (artikel 7:673 lid 1 onder a, 3° BW). Opeenvolgende contracten met tussenpozen van ten hoogste zes maanden tellen samen. Naast de transitievergoeding kan een aanzegvergoeding verschuldigd zijn als de werkgever niet op tijd schriftelijk liet weten of het contract wordt voortgezet. Hieronder staat wanneer het recht ontstaat, hoe de vergoeding bij korte contracten wordt berekend en waar de valkuilen zitten.

Wanneer bestaat het recht?

Een tijdelijk contract eindigt van rechtswege op de afgesproken einddatum. De transitievergoeding is verschuldigd als het contract daarna "op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet" (artikel 7:673 lid 1 onder a, 3° BW). Sinds 1 januari 2020 geldt dat vanaf de eerste werkdag; de eerdere eis van twee jaar dienstverband is vervallen. Ook een opzegging door de werkgever tijdens de proeftijd is een opzegging in de zin van lid 1 onder a, 1°.

Er is geen recht in drie situaties:

  • de werknemer wil zelf niet verder; dan ligt het initiatief bij de werknemer, tenzij de werkgever ernstig verwijtbaar handelde (lid 1 onder b, 3°);
  • vóór het einde is al een nieuw contract afgesproken dat binnen zes maanden ingaat en tussentijds kan worden opgezegd (lid 1 onder a, 3°, slot);
  • de algemene uitzonderingen van lid 7: een einde in verband met de AOW-leeftijd, ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer, of een jonge werknemer die vóór de 18e verjaardag uit dienst gaat en gemiddeld ten hoogste twaalf uur per week werkte.

Biedt de werkgever een nieuw contract aan en neemt de werknemer dat niet aan, dan is de vraag bij wie het initiatief ligt. Volgens de memorie van toelichting bestaat geen recht als een gelijkwaardig of beter contract wordt geweigerd, en blijft het initiatief bij de werkgever als het aanbod slechter is. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch haalde die passage aan, maar liet uitdrukkelijk in het midden of zij in alle gevallen moet worden gevolgd (Hof 's-Hertogenbosch 27 oktober 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4808).

De aanzegvergoeding: een aparte aanspraak

Bij een tijdelijk contract van zes maanden of langer moet de werkgever uiterlijk een maand vóór het einde schriftelijk laten weten of hij het contract voortzet, en zo ja onder welke voorwaarden (artikel 7:668 lid 1 BW). Doet hij dat niet, dan is hij een vergoeding van een maandloon verschuldigd; doet hij het te laat, dan een vergoeding naar rato (lid 3). Volgens de Hoge Raad is de aanzegvergoeding ook verschuldigd als de werknemer al wist dat het contract zou eindigen of geen nadeel leed (HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1374).

De aanzegvergoeding staat los van de transitievergoeding: beide kunnen tegelijk verschuldigd zijn. Twee verschillen zijn van belang. Voor de aanzegvergoeding telt alleen het loon uit artikel 2 van het Besluit loonbegrip; de uitbreiding met vakantiebijslag en andere looncomponenten in artikel 3 geldt alleen voor de transitievergoeding. En de termijn verschilt: een verzoek om de aanzegvergoeding moet binnen drie maanden na de dag waarop de aanzegverplichting ontstond bij de kantonrechter liggen, een verzoek om de transitievergoeding binnen drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:686a lid 4 onder b en e BW).

De berekening bij korte contracten

De transitievergoeding is een derde maandloon per jaar en een evenredig deel voor de periode daarna. Bij een tijdelijk contract is vaak alleen dat evenredige deel aan de orde. Daarvoor telt het brutosalaris dat over de periode werkelijk verschuldigd was; bestaat de periode uit hele maanden met een gelijk salaris, dan komt dat neer op 1/36 maandloon per maand. Duurde de arbeidsovereenkomst korter dan een maand, dan geldt het totale loon over het contract, met looncomponenten, als maandloon (artikel 4 Besluit loonbegrip).

Voorbeeld 1: contract van zes maanden

Een werknemer heeft een contract van 1 januari tot en met 30 juni 2026, met een bruto maandsalaris van € 2.800 en 8 % vakantiebijslag: maandloon € 3.024. De werkgever verlengt niet. De transitievergoeding is 6 × € 3.024 / 36 = € 504. Omdat het contract zes maanden duurde, moest de werkgever uiterlijk een maand vóór het einde schriftelijk aanzeggen; deed hij dat niet, dan is daarnaast een aanzegvergoeding van een maandloon volgens artikel 2 van het Besluit verschuldigd (€ 2.800).

Voorbeeld 2: contract van drie weken

Een werknemer werkt van 1 tot en met 21 maart 2026 en verdient over die drie weken in totaal € 1.890 bruto, inclusief vakantiebijslag. Het contract duurde korter dan een maand, dus is € 1.890 het maandloon. De transitievergoeding is € 1.890 / 36 = € 52,50. Een aanzegplicht is er niet, omdat het contract korter dan zes maanden duurde (artikel 7:668 lid 2 onder b BW).

Beide voorbeelden zijn nagerekend met de rekenmotor van de transitievergoeding-calculator; die vraagt bij een kort contract zelf om het salaris over de periode.

Opeenvolgende contracten en onderbrekingen

Volgen tijdelijke contracten bij dezelfde werkgever elkaar op met tussenpozen van ten hoogste zes maanden, dan tellen zij samen voor de duur van het dienstverband (artikel 7:673 lid 4 onder b BW). De tussenpozen zelf tellen niet mee. Twee contracten van zes maanden met vier maanden ertussen leveren dus een jaar diensttijd op: bij een maandloon van € 3.024 is de transitievergoeding € 1.008.

Bij een tussenpoos van meer dan zes maanden begint de telling opnieuw: het contract van vóór die onderbreking telt niet meer mee. Een eerder contract dat de werknemer zelf beëindigde, telt evenmin mee (HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1808). Werkte de werknemer achtereenvolgens voor verschillende werkgevers, dan kan het gaan om opvolgend werkgeverschap; zie transitievergoeding bij opvolgend werkgeverschap.

Let op het verschil met de ketenregeling van artikel 7:668a BW, die bepaalt wanneer opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een vast contract. Dat is een andere regel met eigen termijnen; voor de transitievergoeding gelden alleen de regels van artikel 7:673 BW.

Andere vergoedingen bij het einde van een tijdelijk contract

Handelde de werkgever ernstig verwijtbaar bij het niet voortzetten van het contract, dan kan de kantonrechter naast de transitievergoeding een billijke vergoeding toekennen (artikel 7:673 lid 9 BW). Spreken partijen het einde af in een vaststellingsovereenkomst, dan bestaat geen wettelijk recht op een transitievergoeding en bepalen zij de vergoeding zelf.

Conclusie

Wie een tijdelijk contract niet verlengd krijgt, heeft vanaf de eerste werkdag recht op een transitievergoeding, ook na een paar weken. De bedragen zijn bij korte contracten klein, maar opeenvolgende contracten tellen samen. Controleer daarnaast of de werkgever tijdig heeft aangezegd: de aanzegvergoeding is een aparte aanspraak met een eigen termijn.


Belangrijkste rechtsbronnen


Veelgestelde vragen

Vragen over Nederlands recht? Neem contact op.